< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Bewijs van schuld ex art. 6 WVW 1994. 1. Bij de beoordeling of de schuld aan het verkeersongeval uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Niet valt in zijn algemeenheid aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid en dus van schuld ex art. 6 WVW 1994. Daarvoor zijn verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. 2. Verkeersgedrag zoals i.c. bewezenverklaard (met auto met 80 km per uur in bocht plotseling op verkeerde weghelft gaan rijden terwijl daar tegenliggers zijn) levert in beginsel aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid op en derhalve schuld ex art. 6 WVW 1994. Dat kan in concreto anders zijn indien verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde. 3. Onbegrijpelijk is het bezigen door het hof voor het bewijs van schuld van verdachtes verklaring dat zij een “blackout” heeft gehad.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



1 juni 2004

Strafkamer

nr. 01889/03

AGJ/SM

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem van 13 mei 2003, nummer 21/003773-02, in de strafzaak tegen:

[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1946, wonende te [woonplaats].

1. De bestreden uitspraak

Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 18 november 2002 - de verdachte ter zake van "overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 , terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht" veroordeeld tot een geldboete van duizend euro, subsidiair twintig dagen hechtenis, met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van zes maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. M.G. Jacobs, advocaat te Enschede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en verwijzing naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

3. Beoordeling van het eerste middel

3.1. Beide middelen beogen kennelijk te klagen over de motivering van de bewezenverklaarde schuld aan het verkeersongeval. Zij lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"zij op 12 juni 2001, te Winssen, in de gemeente Beuningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto) daarmede rijdende over de voor het openbaar verkeer openstaande weg, Van Heemstraweg, aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam, in of nabij een in die weg gelegen, gezien haar, verdachtes rijrichting, naar links verlopen bocht, naar links heeft gestuurd en geheel of gedeeltelijk op het voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte van die weg is terechtgekomen en is gebotst, althans is aangereden tegen een op dat voor het tegemoetkomend verkeer bestemde weggedeelte rijdend, toen dicht genaderd zijnd ander motorrijtuig (personenauto) en aldus zich zodanig heeft gedragen dat een aan verdachtes schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander ([slachtoffer]) zwaar lichamelijk letsel, althans zodanig lichamelijk letsel dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan, werd toegebracht."

3.3. Deze bewezenverklaring steunt op de navolgende, in de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv opgenomen bewijsmiddelen:

- het op de bij de wet voorgeschreven wijze opgemaakte proces-verbaal van de politie Gelderland-Zuid, rayon Wijchen/Beuningen, genummerd PL0822/01-003811, opgemaakt door J.C. Visser en M.G.A.P. Thijsse Claase en gesloten op 12 augustus 2001:

a. de verklaring van [getuige], gedateerd 12 juni 2001, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Vandaag reed ik als bestuurder in mijn auto over de Van Heemstraweg te Winssen, gaande in de richting van Druten. Vlak voor mij reed een grijze personenauto. Ik reed ongeveer 80 km per uur, zo ook de auto voor mij. Plotseling zag ik een lichtgrijze auto, welke reed op de rijbaan voor het tegemoetkomend verkeer, naar links sturen en op onze weghelft komen. Meteen hierop raakte deze auto frontaal de voor mij rijdende auto. Ik heb nog sterk moeten remmen om een aanrijding te voorkomen. Ook de auto voor mij heb ik nog even zien remmen maar de bestuurster kon de aanrijding nooit meer voorkomen. Het was voor mij onbegrijpelijk waarom de tegemoetkomende auto zo plotseling naar links stuurde. Er was volgens mij geen enkele aanleiding voor deze plotselinge richtingverandering."

b. de verklaring van [slachtoffer], gedateerd 8 juli 2001, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Op dinsdag 12 juni 2001 reed ik als bestuurster van een personenauto Mazda , over de Van Heemstraweg te Winssen, op mijn eigen weghelft. Vlak voor me reed geen auto, dat weet ik nog. Op een gegeven moment kwam er een rijtje auto's mij op de Van Heemstraweg tegemoet, deze reden op hun eigen weghelft. Op een gegeven moment kwam er plotseling een witte flits uit het rijtje tegemoetkomende auto's. Ik heb toen nog geremd. Verder weet ik niets meer. Tengevolge van de aanrijding heb ik last van mijn neus (gebroken) en zijn er zenuwen in mijn aangezicht kapot gegaan. Tevens waren er speeksel-klieren kapot en heb ik 5 ribben gebroken en waren er kneuzingen. Verder heb ik een diepe horizontale snee in de knie en is de rechtervoet verbrijzeld en de enkel naar buiten gedraaid. Ik weet niet of het volledig herstelt. Voorlopig moet ik nog in een

ziekenhuis/verpleeghuis blijven."

c. de verklaring van de verdachte, gedateerd 26 juni 2001, voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven:

"Op dinsdag 12 juni 2001 reed ik als bestuurster in mijn auto, een Ford Mondeo, grijs van kleur, over de rijbaan van de Van Heemstraweg in Winssen. Ik reed ter plaatse tussen de 75 a 80 km per uur. Ter plaatse in een volgens mij zeer flauwe bocht naar links, stuurde ik dan ook mee naar links de bocht in. Op dat moment heb ik kennelijk een soort "blackout" gehad en heb ik kennelijk niet meer naar rechts gestuurd en ben derhalve op het weggedeelte voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. Op dat moment zag ik een grijzig/ bruine motorkap van een auto recht voor mij opdoemen. Meteen hierop volgde de aanrijding. Ik heb niet meer de tijd gehad om te remmen of iets dergelijks. Ik had geen reden om terecht te komen op de weghelft van het tegemoetkomende verkeer."

d. als schriftelijk bescheid, een aanvraagformulier medische informatie betreffende [slachtoffer], opgemaakt door de geneeskundige Werre, gedateerd 17 oktober 2001.

3.4. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder meer in:

"De verdachte verklaart - zakelijk weergegeven - als volgt:

Artikel 6 van de Wegenverkeerswet suggereert voorbedachte rade. Ik heb een blackout gehad van 3 seconden. Ik heb niet onachtzaam gereden. Ik ben niet in slaap gevallen, ik heb het ongeval zien gebeuren. Het slachtoffer heeft het ook zien aankomen. Ik heb niet geremd, er is ook geen remspoor. Het is juist dat ik bij de politie gezegd heb dat ik vermoeid was. Ik had die middag een wedstrijd gegolfd in Arnhem, dat duurde ongeveer 3 uur. Ik had niet gedronken en ik had geen medicijnen gebruikt. Na zo'n klap begrijp je er niets van maar ik heb het wel gezegd. Ik rijd iedere dag over die weg. Ik weet dat ik 3 seconden een blackout heb gehad omdat ik het achteraf heb nagemeten. Ik herinner mij nog dat ik de bocht ben ingestuurd. (...) Ik heb nooit eerder last gehad van absences. Dit is vreemd voor mij. Ik heb het er met mijn chirurg over gehad. Het is een onbekend fenomeen. (...)

Verdachte voert het woord ter verdediging, zakelijk weergegeven:

Ik moest naar links sturen vanwege de bocht in de weg. Dat was een correcte handeling maar toen volgde de blackout. Ik vind niet dat ik onachtzaam heb gereden."

3.5. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 Wegenverkeerswet 1994, in het onderhavige geval de bewezenverklaarde aanmerkelijke onoplettendheid en/of onachtzaamheid, uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van gedragingen van de verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval.

Dat brengt mee dat niet in zijn algemeenheid valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor de bewezenverklaring van schuld in de zin van evenbedoelde bepaling. Daarvoor zijn immers verschillende factoren van belang, zoals de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin.

3.6. Het Hof heeft blijkens de gebezigde bewijsmiddelen vastgesteld dat de verdachte als bestuurster van een personenauto, rijdend met een snelheid van ongeveer 80 km per uur op een tweebaansweg, na een flauwe bocht naar links niet zoveel mogelijk rechts heeft gehouden maar plotseling zonder enige aanleiding, zo ver naar links is gekomen dat zij daardoor op de verkeerde weghelft is terechtgekomen en daar frontaal in botsing is gekomen met een op die andere weghelft rijdende tegenligger. Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zich aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gedragen en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 van de Wegenverkeerswet 1994 te wijten is. Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden zijn aangevoerd en aannemelijk zijn geworden - bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde - waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken.

3.7. Onbegrijpelijk is hoe het Hof, zonder nadere motivering welke in de bestreden uitspraak ontbreekt, de hiervoor onder 3.3 onder c genoemde verklaring van de verdachte inhoudende dat zij kennelijk een soort "black-out" heeft gehad, redengevend heeft geacht voor de hiervoor onder 3.2 vermelde bewezenverklaring voorzover inhoudende dat de verdachte aanmerkelijk onoplettend en/of onachtzaam heeft gehandeld. Die verklaring strekt immers onmiskenbaar ten betoge dat het de verdachte tengevolge van die plotseling opgekomen en voor haar onvoorzienbare black-out niet te verwijten is dat zij haar voertuig korte tijd niet onder controle had en gedurende die tijdsspanne op de andere weghelft is terechtgekomen. Nu het Hof daaromtrent niets heeft overwogen en de bewijsmiddelen ook niets inhouden waaruit zou kunnen volgen dat die door de verdachte gestelde en door het Hof aangenomen black-out wel voor rekening van de verdachte komt en haar kan worden verweten, is de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

3.8. De middelen zijn derhalve terecht voorgesteld.

4. Slotsom

Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.

5. Beslissing

De Hoge Raad:

Vernietigt de bestreden uitspraak;

Verwijst de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.

Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, W.A.M. van Schendel, J.W. Ilsink en J. de Hullu, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 1 juni 2004.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde wetgeving

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature