< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Strafmotivering. De rechter mag bij de strafoplegging rekening houden met een door verdachte erkend ad info feit, of een feit dat kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het strafbare feit is begaan, dan wel wanneer verdachte voor dat feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Het door het Hof in aanmerking genomene voldoet hier niet aan zodat de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen is omkleed. Opmerking verdient dat ‘s Hofs overweging m.b.t. de erkenning van verdachte dat hij zich al vanaf begin 2005 met de handel in drugs heeft beziggehouden kennelijk niet is bedoeld ter staving van het oordeel dat verdachte geen “schoon schip” heeft gemaakt, aangezien het verband tussen het een en het ander niet zonder meer begrijpelijk is.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



26 oktober 2010

Strafkamer

nr. 08/04999

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 17 november 2008, nummer 21/000062-08, in de strafzaak tegen:

[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967, wonende te [woonplaats].

1. Geding in cassatie

1.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. N. van der Laan, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

1.2. De raadsman heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2. Beoordeling van het middel

2.1. Het middel klaagt dat het Hof bij de strafoplegging ten onrechte dan wel onvoldoende gemotiveerd strafbare feiten in aanmerking heeft genomen die niet zijn tenlastegelegd noch ad informandum zijn gevoegd.

2.2. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 september 2006 tot en met 23 januari 2007 te De Meern, gemeente Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen meermalen opzettelijk heeft afgeleverd en vervoerd een hoeveelheid hashish van meer dan 30 gram hashish, zijnde hashish een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II."

2.3. Het Hof heeft ter motivering van de opgelegde straf het volgende overwogen:

"De officier van justitie heeft geëist dat verdachte wordt veroordeeld wegens het tenlastegelegde feit tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek.

De rechtbank Utrecht heeft de verdachte veroordeeld wegens het tenlastegelegde feit tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, een werkstraf voor de duur van 180 uren, te vervangen door 90 dagen hechtenis en een geldboete van € 10.000,-. Verdachte heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot dezelfde straf als door de rechtbank is opgelegd.

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte en zijn draagkracht, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft in opdracht van andere personen pakketten hashish vervoerd en afgeleverd bij een bedrijventerrein. Aldaar werden de pakketten verwerkt in auto's om verder vervoerd te worden. De pakketten waren onder meer bedoeld voor de export naar Engeland. Verdachte "liep dan voor een bepaald gedeelte in het transport mee".

Verdachte heeft zich derhalve in georganiseerd verband ingelaten met de handel in drugs, welke handel tevens was gericht op het buitenland. Verdachte heeft welbewust gehandeld om er zelf financieel beter van te worden. Uit niets blijkt dat verdachte zich heeft bekommerd over de nadelige gevolgen die het in de (internationale) handel brengen van drugs heeft, niet alleen voor de gezondheid van de gebruikers ervan, maar ook voor de nationale en internationale rechtsorde. Het hof rekent de verdachte het feit dan ook zwaar aan. Ten nadele van verdachte houdt het hof tevens rekening met het feit dat verdachte heeft erkend dat hij zich al vanaf het begin van 2005 met de handel van verdovende middelen heeft bezig gehouden. Anders dan de raadsman heeft betoogd, heeft verdachte naar het oordeel van het hof geen schoon schip gemaakt. Hij heeft geen volledige openheid van zaken willen geven.

Het bovenstaande in acht nemende zou een hogere straf dan door de rechtbank is opgelegd passend en geboden zijn. In het bijzonder zou een hogere onvoorwaardelijke gevangenisstraf in aanmerking komen.

Naar het oordeel van het hof bestaat er echter aanleiding om, gelet op de hiervoor vastgestelde aanvankelijke onzorgvuldigheden in de betreffende processen-verbaal en de gang van zaken bij de politieverhoren alsmede op de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waarbij het hof acht heeft geslagen op het Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 17 oktober 2008, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet, en de omstandigheid dat verdachte een baan heeft met zicht op een vast dienstverband, een gevangenisstraf van zodanige duur op te leggen, dat verdachte het onvoorwaardelijk deel van die straf, rekening houdend met de aftrek van de door hem ondergane preventieve hechtenis, reeds heeft uitgezeten. Daarnaast zal het hof een forse werkstraf van de hierna aan te geven duur opleggen. Gelet op de omstandigheid dat verdachte handelde uit financieel gewin zal het hof tevens een geldboete opleggen."

2.4. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Het staat de rechter op zichzelf vrij om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit

- wanneer het gaat om een ad informandum gevoegd feit en - in een geval als het onderhavige waarin de verdachte ter terechtzitting is verschenen - op grond van de door de verdachte ten overstaan van de rechter die de straf oplegt gedane erkenning, aannemelijk is geworden dat hij dat feit heeft begaan en ervan mag worden uitgegaan dat het openbaar ministerie geen strafvervolging ter zake van dat feit zal instellen, of

- wanneer dit feit kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, dan wel

- wanneer de verdachte voor dit feit onherroepelijk is veroordeeld en de vermelding van dit feit dient ter nadere uitwerking van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

2.5. Het Hof heeft bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening gehouden met de omstandigheid dat hij heeft erkend dat hij zich al vanaf het begin van 2005 met de handel in verdovende middelen heeft beziggehouden. In aanmerking genomen dat niet blijkt dat aan de voorwaarden voor afdoening van een ad informandum gevoegd feit is voldaan, dat uit het zich bij de stukken bevindend Uittreksel Justitiële Documentatie niet blijkt dat de verdachte onherroepelijk is veroordeeld voor de handel in verdovende middelen en evenmin dat het bedoelde feit redelijkerwijs kan worden aangemerkt als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan, is de strafoplegging niet naar de eis der wet met redenen omkleed.

Daarbij verdient opmerking dat 's Hofs overweging dat het rekening houdt met de erkenning van de verdachte, kennelijk niet is bedoeld ter staving van het oordeel dat de verdachte geen 'schoon schip' heeft gemaakt, aangezien het verband tussen het een en ander niet zonder meer begrijpelijk is.

2.6. Het middel is terecht voorgesteld.

3. Slotsom

Nu de Hoge Raad geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.

4. Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;

wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;

verwerpt het beroep voor het overige.

Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en W.F. Groos, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken op 26 oktober 2010.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Gerelateerde advocaten

Gerelateerde advocatenkantoren

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature