Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Soort procedure:
Zaaknummer:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Dood door schuld in het verkeer, art. 6 WVW 1994. Dodelijk verkeersongeval veroorzaakt door psychose t.g.v. amfetaminegebruik te wijten aan schuld verdachte? HR herhaalt relevante overwegingen uit ECLI:NL:HR:2004:AO5822 en ECLI:NL:HR:2008:BC3797 m.b.t. bestanddeel “schuld” in art. 6 WVW 1994 en verontschuldigbare onmacht. ’s Hofs oordeel dat sprake is van “schuld” in de zin van art. 6 WVW 1994 is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat Hof heeft vastgesteld dat verdachte de keuze om amfetamine te gebruiken volledig vrijwillig heeft gemaakt, dat hij wist dat dit een harddrug was en dus een middel was dat (op gevaarlijke wijze) van invloed kan zijn op de psyche en dat hij is overgegaan tot het gebruik daarvan, zonder zich van tevoren te verdiepen in de dosering en de (mogelijke) precieze effecten daarvan, waaronder ook de duur van die effecten. Opvatting dat een en ander slechts dan aan verdachte zou kunnen worden toegerekend als hij wist, dan wel moest weten, dat het gebruik van amfetamine een psychose zou kunnen veroorzaken en voorts ook het concrete gevolg daarvan - het plegen van de onderhavige strafbare feiten - redelijkerwijs voorzienbaar was, vindt geen steun vindt in het recht. Ook overigens getuigt ’s Hofs oordeel dat sprake is van “schuld” in de zin van art. 6 WVW 1994 niet van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en ook in het licht van hetgeen in h.b. door de verdediging is aangevoerd, voldoende gemotiveerd. Volgt verwerping.

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



29 januari 2019

Strafkamer

nr. S 17/05198

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, van 31 oktober 2017, nummer 21/005116-16, in de strafzaak tegen:

[verdachte] , geboren te [geboorteplaats] (Suriname) op [geboortedatum] 1969.

1 Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

De Advocaat-Generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

De raadsman heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2 Beoordeling van de middelen

2.1.

De middelen klagen in de kern over de bewezenverklaring van de 'schuld' als bedoeld in art. 6 Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW 1994). De middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

2.2.1.

Ten laste van de verdachte is onder 1 en 2 bewezenverklaard dat:

"1:

hij op 30 december 2015 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, rijksweg A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onoplettend en onachtzaam en onvoorzichtig,

terwijl hij, verdachte, zodanig onder invloed was van amfetamine en/of THC, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht,

- over de rijksweg A2, vanaf hectometerpaal 39,2 (Abcoude) tot en met de plaats van het verkeersongeval ter hoogte van hectometerpaal 56,2, met een gemiddelde snelheid van ongeveer 217 kilometer per uur heeft gereden en

- met die snelheid meerdere auto's heeft ingehaald en is voorbijgereden en

- op die rijksweg op verschillende momenten naar de linker vluchtstrook is uitgeweken en

- rijdende over de meest linker rijstrook en over de linker vluchtstrook de snelheid van zijn voertuig niet heeft geminderd bij het naderen van zijn, verdachtes, voorliggers [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en

- rijdende over de meest linker rijstrook en over de linker vluchtstrook de snelheid van zijn voertuig niet heeft geminderd bij het inhalen en voorbijrijden van andere weggebruikers en die [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en

- met een snelheid van ongeveer 237 kilometer per uur, heeft gereden bij een vermindering van het aantal rijstroken van 5 naar 3 en

- terwijl hij met onverminderde snelheid invoegde vanaf de linker vluchtstrook en het verdrijvingsvlak naar de meest linker rijbaan waar hij tegen een ander voertuig, personenauto, waarin die [betrokkene 1] zich als passagier bevond, is aangereden en gebotst,

waardoor [betrokkene 1] werd gedood,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 en terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden;

2:

hij op 30 december 2015 te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, daarmede rijdende over de weg, rijksweg A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, door zeer onoplettend en onachtzaam en onvoorzichtig,

terwijl hij, verdachte, zodanig onder invloed was van amfetamine en/of THC, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht,

- over de rijksweg A2, vanaf hectometerpaal 39,2 (Abcoude) tot en met de plaats van het verkeersongeval ter hoogte van hectometerpaal 56,2, met een gemiddelde snelheid van ongeveer 217 kilometer per uur heeft gereden en

- met die snelheid meerdere auto's heeft ingehaald en is voorbijgereden en

- op die rijksweg op verschillende momenten naar de linker vluchtstrook is uitgeweken en

- rijdende over de meest linker rijstrook en over de linker vluchtstrook de snelheid van zijn voertuig niet heeft geminderd bij het naderen van zijn, verdachtes, voorliggers [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en

- rijdende over de meest linker rijstrook en over de linker vluchtstrook de snelheid van zijn voertuig niet heeft geminderd bij het inhalen en voorbijrijden van andere weggebruikers en die [betrokkene 7] en [betrokkene 8] en

- met een snelheid van ongeveer 237 kilometer per uur heeft gereden bij een vermindering van het aantal rijstroken van 5 naar 3 en

- terwijl hij met onverminderde snelheid invoegde vanaf de linker vluchtstrook en het verdrijvingsvlak naar de meest linker rijbaan waar hij tegen een ander voertuig, personenauto, waarin die [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] en [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zich bevonden is aangereden en gebotst,

waardoor:

- [betrokkene 3] zwaar lichamelijk letsel, te weten een blaasruptuur en een rectum laceratie en letsel centrale wervelkolom en een urethra ruptuur en bekkenletsel en een scheenbeen (tibia) fractuur en

- [betrokkene 4] zwaar lichamelijk letsel, te weten een bekkenfractuur en een dijbeen/heupfractuur en een open fractuur van het (rechter) onderbeen en een enkelfractuur en een kniefractuur en

- [betrokkene 5] zwaar lichamelijk letsel, te weten lumbale wervelfracturen en

- [betrokkene 2] zwaar lichamelijk letsel, te weten een milt laceratie en een bekken/sacrumfractuur en

- [betrokkene 6] zwaar lichamelijk letsel, te weten aangezichtsletsel,

werd toegebracht,

terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste lid van de Wegenverkeerswet 1994 ,

terwijl het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden."

2.2.2.

Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring onder meer het volgende overwogen:

"Standpunt van de verdediging

(...)

Volgens de raadsman kan wel worden bewezen dat de verdachte schuld heeft aan het ongeval in die zin dat hij zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig heeft gereden.

Tot slot heeft de raadsman aangevoerd dat de bij verdachte geconstateerde psychose ertoe dient te leiden dat hij ontoerekeningsvatbaar is en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. In dit verband heeft de raadsman opgemerkt dat verdachte niet wist dan wel redelijkerwijs had moeten weten welk bizar en risicovol gedrag zijn drugsgebruik (de inname van speed) een dag later teweeg zou brengen.

Uit het dossier blijkt - onder meer - het volgende

Verloop van de aanrijding

Verdachte heeft op 30 december 2015 een verkeersongeval veroorzaakt op de A2 van Amsterdam naar Utrecht door met zijn auto (een Volkswagen Golf) met hoge snelheid tegen de achterkant van een auto van het merk Citroën aan te rijden. Eén van de inzittenden van deze Citroën, [betrokkene 1] , is ten gevolge van dit ongeval om het leven gekomen. Vijf andere inzittenden, te weten [betrokkene 2] , [betrokkene 5] , [betrokkene 6] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen. Een zesde inzittende, [betrokkene 9] , raakte wel gewond, maar had geen zwaar lichamelijk letsel.

Verdachte reed die dag met een zeer hoge snelheid over de A2. Op het traject tussen hectometerpaaltje 39.2 tot aan de plaats van het ongeval ter hoogte van hectometerpaaltje 56.2 reed verdachte met een gemiddelde snelheid van 217 kilometer per uur. Op 270 meter voor de plek van de botsing is zelfs een snelheid van 237 kilometer per uur gemeten. Met deze zeer hoge snelheden reed verdachte afwisselend over de eerste (de meest linker) rijstrook en over de vluchtstrook. Met het rijden over de vluchtstrook haalde hij andere verkeersdeelnemers in. Van remmen tijdens die inhaalmanoeuvres is niet gebleken. Vlak voor de plek van de botsing was sprake van een vermindering van het aantal rijstroken en eindigde de vluchtstrook door middel van een verdrijvingsvlak. Borden aan de kant van de weg, pijlen op het wegdek en ten slotte het verdrijvingsvlak zelf lieten zien dat de vermindering van het aantal rijbanen eraan kwam. Door ter hoogte van het verdrijvingsvlak in te voegen, kwam verdachte op de rijbaan terecht waar de Citroën reed. Daar kwam hij in botsing met deze auto.

Getuige [getuige] (De Hoge Raad begrijpt: Getuige [getuige] ) heeft verklaard dat de Citroën niet harder dan 100 à 110 km/u reed. De getuige (De Hoge Raad begrijpt: De getuige [getuige] ) zag dat Volkswagen Golf met grote snelheid ('zeker 200 km/u') reed en zonder te remmen vol op de achterzijde van de Citroën reed. Door die aanrijding vloog er van alles in de lucht.

Toxicologisch onderzoek

Het bloed van verdachte is door het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI) onderzocht. In het bloed werd een concentratie van 0,044 mg/l amfetamine en een concentratie van 0,0094 mg/l cannabinoïden (THC) aangetroffen.

Ten aanzien van de werkzaamheid van amfetamine en THC wordt in het rapport van 26 januari 2016 het volgende gesteld:

"Amfetamine heeft een sterk centraal stimulerend effect, waardoor lichamelijke en geestelijke functies worden geactiveerd. Lichamelijke effecten zijn onder andere stijging van de bloeddruk en toename van de lichaamstemperatuur. Psychische effecten zijn onder andere emotionele ontremming, toename van zelfvertrouwen (zelfoverschatting) en het verdwijnen van barrières in de communicatie.

Het gebruik van amfetamineachtige stoffen kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden door onder andere vermindering van oplettendheid en van onjuiste risico-inschatting.

Werkzame concentraties van amfetamine in bloed liggen bij niet-gewende gebruikers doorgaans tussen ongeveer 0,03 en 0,15 mg/l. (...)

In het bloed van (verdachte) is een werkzame concentratie van amfetamine gemeten van 0,044 mg/l.

THC is de cannabinoïde met de hoogste psychoactieve werking. (...) Geestelijke effecten die kunnen optreden na gebruik van cannabisproducten zijn algemeen welbehagen, vrolijkheid, dromerigheid, loomheid en 'afwezigheid' (gebrek aan aandacht voor wat er in de omgeving gebeurt). Tot de lichamelijke effecten behoren een acute daling van de bloeddruk met daarmee gepaard gaande een versnelde hartslag. Het gebruik van cannabis kan de rijvaardigheid nadelig beïnvloeden door onder andere gebrek aan aandacht.

Er bestaat internationaal consensus over de concentratie THC in serum waarboven nadelige effecten op de rijvaardigheid beginnen op te treden, vergelijkbaar met 0,5 promille alcohol. Die grensconcentratie ligt op 7 ng/ml serum. Concentraties van 7 ng/ml serum komen in (vol)bloed overeen met concentraties van ongeveer 3,5 ng/ml, ofwel 0,0035 mg/l (eenheden zoals vermeld in de tabel).

In het bloed van [verdachte] (is) THC (...) aangetoond. De gemeten THC concentratie is 0,0094 mg/l; dat is hoger dan bovengenoemde grensconcentratie (...).

Het is niet goed te voorspellen in welke mate het gecombineerde gebruik van dempende stoffen (cannabis) en stimulerende stoffen (amfetamine) in dit geval aanleiding zal hebben gegeven tot aanvullende nadelige effecten op de rijvaardigheid."

In het rapport van 23 maart 2016 van het NFI wordt nog opgemerkt:

"De rijvaardigheid is bij gewende gebruikers van cannabis nadelig beïnvloed na recent gebruik van cannabis, maar in mindere mate dan bij niet-gewende gebruikers. Er is in dit geval sprake van recent gebruik (THC in bloed: 0,0094 mg/l). Een bloedconcentratie waarboven de rijvaardigheid voor gewende gebruikers nadelig is beïnvloed, kan niet worden aangegeven.

(...)

Uit epidemiologisch onderzoek blijkt dat de kans op een auto-ongeluk door de combinatie van THC en amfetamine ongeveer gelijk is aan de optelsom van de afzonderlijke kansen op een ongeluk door THC en amfetamine."

Psychologisch en psychiatrisch onderzoek

Verdachte is door zowel een psychiater als psycholoog onderzocht. Hun bevindingen staan vermeld in een rapport van 6 juni 2016. Onder meer wordt gesteld:

"Betrokkene heeft onder invloed van middelen een ernstig auto-ongeluk veroorzaakt. Uit het psychiatrisch en psychologisch onderzoek komt - kort samengevat - naar voren dat er bij betrokkene sprake is van een psychotische stoornis door een middel (speed) rondom (voor, tijdens en vlak na) het plegen van het tenlastegelegde op 30 december 2015 en van al jaren bestaande cannabisafhankelijkheid. Voorafgaand aan het plegen van het ten laste gelegde is betrokkene nooit psychotisch geweest. Hij heeft een blanco hulpverleningsgeschiedenis.

(...)

Op basis van het gedrag van betrokkene vlak voor, ten tijde van en vlak na plegen van het tenlastegelegde, is hij psychotisch ontregeld door het gebruik van speed in de 24 uur vooraf gaand aan het plegen van het ten laste gelegde. Vanwege het jarenlange gebruik van cannabis zonder daadwerkelijke problemen (anders dan vlakheid) is het onwaarschijnlijk dat de psychose is ontstaan door het cannabisgebruik. Er zijn evenmin aanwijzingen voor andere oorzaken voor deze eenmalige doorgemaakte psychose (...).

Uit verschillende bronnen (processen-verbaal politie, het verhaal van betrokkene zelf en de gegevens van het Academisch Medisch Centrum Amsterdam (AMC), het Justitieel Centrum voor Somatische Zorg (JCvSZ) en het Penitentiair Psychiatrisch Centrum Amsterdam (PPC)) komt overtuigend naar voren dat betrokkene rondom het plegen van het ten laste gelegde op 30 december 2015 ernstig psychotisch is geweest, terwijl hij voordien nooit psychotisch is geweest. Betrokkene heeft op de avond voordat het tenlastegelegde heeft plaatsgevonden speed gebruikt, dat hem naar alle waarschijnlijkheid psychotisch heeft ontregeld. (....)

Psychiater [betrokkene 10] concludeert in zijn brief d.d. 1 januari 2016 dat er bij betrokkene bij opname in het AMC sprake is van een floride manisch-psychotisch toestandsbeeld met tachyfreen (versneld), deels tangentieel, verhoogd associatief denken met inhoudelijk grootheids- en betrekkingswanen, een eufore stemming, een verhoogd modulerend affect, prikkelbaarheid, een verminderde impulscontrole, zeer forse oordeels- en kritiekstoornissen en een afwezig ziektebesef en -inzicht (zowel met betrekking tot de somatiek als de psychiatrische problematiek) en van daaruit een ernstig gevaar voor zichzelf (het zich niet houden aan medische voorschriften vanuit een gevoel onschendbaar te zijn) en anderen (aanhoudende grootheids- en betrekkingswanen). Deze conclusie wordt gedeeld door psychiater Booltink die rapporteert over het aansluitende verblijf van betrokkene in het JCvSZ. De psychose verbleekt geleidelijk aan tijdens het verblijf in het JCvSZ en het PPC Amsterdam. (...)

Gezien de vorm en de ernst van de psychose kan het tenlastegelegde volledig vanuit de psychose worden verklaard. Belangrijkste bouwstenen hiervoor zijn vooral de zelfoverschatting (vanuit de grootheidswaan), de zeer forse kritiek- en oordeelsstoornissen, het afwezige ziektebesef en -inzicht en de verminderde impulscontrole - als onderdeel van de psychose - die zo ernstig waren dat betrokkene nauwelijks/niet de realiteit van het dagelijkse leven kon zien en in zijn psychose geen controle en keuzevrijheid meer had over zijn handelen rondom het plegen van het ten laste gelegde. (...)

Er zijn geen aanwijzingen dat betrokkene op het moment dat hij speed tot zich neemt psychotisch ontregeld zou zijn. (...) Voor zover na te gaan heeft betrokkene in alle rust vrijwillig overwogen om de speed uit te proberen. (...) Na het moment dat hij de speed tot zich heeft genomen en de speed is gaan werken, is hij psychotisch ontregeld geraakt. (...) Betrokkene zegt zelf nooit eerder speed gebruikt te hebben en niet geweten te hebben wat het effect van speed op hem zou zijn. (...). Betrokkene heeft weliswaar niet kunnen voorzien dat hij door het speedgebruik psychotisch zou worden, noch dat hij tijdens de speedpsychose strafbare feiten zou plegen, maar hij heeft zich vrijwillig in een situatie van intoxicatie gebracht."

Verklaringen verdachte

Op 8 februari 2016 heeft verdachte bij de politie - onder meer - het volgende verklaard (zakelijk weergegeven):

"Helaas heb ik een dag voor het voorval voor het eerst in mijn leven amfetamine gebruikt. Ik wilde kijken wat het effect was. Ik heb het opgesnoven. De volgende ochtend ben ik naar de coffeeshop gegaan. Ik had toen al een jointje gerookt. Daarna nog één in de coffeeshop. Ik gebruik al 20 jaar softdrugs. Speed had ik nog nooit gebruikt. Ik wist niet wat het effect van speed zou zijn, maar ik neem aan dat als je onder invloed bent van harddrugs, je in een andere staat verkeert dan wanneer je onder invloed van softdrugs bent. Nadat ik in de coffeeshop was geweest ben ik in mijn auto gestapt. Ik had het idee dat ik naar huis ging. Ik reed de gebruikelijke route, tot ik op de snelweg kwam. Ik nam niet de gebruikelijke afslag, maar reed verder. Ik reed richting Utrecht. Ik kan niet verklaren waarom ik dit deed. Ik kan niet verklaren wat zich in mijn hoofd afspeelde. Op de snelweg heb ik keihard gereden. Ik heb de gangbare regels voor de snelweg zwaar genegeerd. Ik kan niet zeggen waarom ik keihard ging rijden. Ik kan me nog herinneren dat ik heel hard reed en dat ik gevoelsmatig niet hard wilde rijden, maar het gebeurde toch. Ik wist dat het niet oké was wat ik deed. Ik besefte niet dat ik er ook een eind aan kon maken. Dat ik ermee kon ophouden. Daardoor bleef ik keihard rijden. Ik weet niet wat mij die dag bezielde. De baan ging van vijf naar drie. Ik moest in principe ritsen, maar de bordjes zijn mij die dag ontgaan. Ik heb niet meegekregen dat er een versmalling kwam. Ik had geen ruimte meer om uit te wijken. Anders had ik dat zeker gedaan. Ik zag dat de weg versmalde. Dat het echt in een trechtertje loopt. Toen dacht ik: dit gaat fout. Ik kon tegen de vangrail knallen, maar mijn reactie was om zo snel mogelijk in te voegen. Daardoor is het ongeluk ontstaan. Voordat ik invoegde heb ik nog opzij gekeken, maar het was al te laat. Er zat een hele rits auto's naast me en met die snelheid kon ik er niets meer aan doen. Ik weet niet of ik de vangrail nog heb aangetikt. Ik heb mijn stuur naar rechts gedraaid. Dat was mijn reactie. Op dat moment klap ik tegen mijn voorligger. Ik heb niet de keuze gemaakt of de vangrail of de auto. Ik heb in ieder geval de keuze gemaakt niet de vangrail. Maar dat daar een andere auto reed... ik had gehoopt dat de baan vrij was. Ik wist dat ik hard reed, maar ik heb het niet bij volle bewustzijn gedaan. Als ik echt het bewustzijn had, had ik het niet gedaan. Ik ben een paar keer op de vluchtstrook geweest om geen ongelukken te veroorzaken. Het is nooit mijn intentie geweest om een ongeluk te veroorzaken. (Op de vraag of hij de mogelijkheid van een ongeluk ook niet heeft ingecalculeerd): ik dacht er niet bij na. Tegelijkertijd met de klap zag ik (pas) dat de rijbaan niet meer vrij was. Het ging zo snel. Toen ik het zag, klapte ik er bovenop er zat geen milliseconde tussen, bij wijze van spreken."

Tijdens de zitting van de rechtbank heeft de verdachte - onder meer - verklaard:

"De avond van 29 december 2015 was ik thuis in mijn woning in Amsterdam en heb ik amfetamine gebruikt. Ik had enkele dagen vrij van mijn werk. Een collega van me had de amfetamine gevonden. De amfetamine was beland bij de gevonden voorwerpen en ik heb daarvan een beetje mee naar huis genomen. Ik wilde het een keer proberen. In het verleden heb ik weliswaar sporadisch cocaïne gebruikt, maar ik had nooit eerder amfetamine gebruikt. Ik heb vier dunne lijntjes genomen. Kort na het innemen voelde ik geen wezenlijk effect. De ochtend van 30 december 2015 ben ik naar de coffeeshop gegaan. Ik merkte niet dat ik me anders voelde dan normaal. Ik stond er niet eens bij stil dat ik speed had gebruikt de avond van tevoren. Toen ik de coffeeshop verliet was het nog vóór 09:00 uur, dus wilde ik gewoon rustig naar huis. Op de snelweg lijkt er iets te zijn geknapt bij me. Ik vind het ook vreemd dat ik op een gegeven moment op de snelweg als een bezetene ben gaan rijden. Ik was niet goed bij mijn hoofd. Ik had mezelf niet onder controle. Ik had wel door dat er iets niet normaal was. Ik reed vreselijk hard. Ik wilde geen ongelukken maken.

Ik kan me herinneren dat ik daar reed en dat ik auto's ontweken heb. Ik ben voor het ontwijken van auto's ook op de vluchtstrook gaan rijden. Op een gegeven moment kwam ik bij het punt waar banen afbogen. Dat zag ik te laat. Toen ben ik naar rechts gegaan om mezelf niet te pletter te rijden. Het was mijn reactie om mezelf te beschermen. Het was sowieso niet mijn bedoeling om een ongeluk te veroorzaken. Het ging allemaal zo snel dat ik niet weet wat er precies is gebeurd en wat ik heb gedacht. Ik wist niet dat je van harddrugs psychisch helemaal ontregeld kan raken. Dat je daarvan in een psychose kan raken, zoals bij mij is gebeurd, was mij onbekend."

Oordeel hof

(...)

Artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 (feit 1 subsidiair en het tweede onderdeel van feit 2)

Onder 1 subsidiair en in het tweede onderdeel van feit 2 is aan verdachte tenlastegelegd dat hij zich als bestuurder van een motorrijtuig zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, ten gevolge waarvan [betrokkene 1] is overleden en ten gevolge waarvan [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen.

Schuld in de zin van artikel 6 WVW kan worden bewezen indien sprake is van een aanmerkelijke verwijtbare onvoorzichtigheid.

Het is geen punt van discussie dat het overlijden van [betrokkene 1] en het zwaar lichamelijk letsel van [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] , [betrokkene 5] en [betrokkene 6] een gevolg is van (tenminste) aanmerkelijk onvoorzichtig rijgedrag van verdachte.

Wel is er discussie over de vraag in hoeverre verdachte dit rijgedrag kan worden verweten. Als gevolg van de psychose had verdachte immers volgens de psychiater en psycholoog ten tijde van het rijden over de snelweg en het veroorzaken van de aanrijding te kampen met zelfoverschatting (vanuit de grootheidswaan), zeer forse kritiek- en oordeelsstoornissen, afwezig ziektebesef en -inzicht en een verminderde impulscontrole, die zo ernstig waren dat betrokkene nauwelijks/niet de realiteit van het dagelijkse leven kon zien en geen controle en keuzevrijheid meer had over zijn handelen rondom het plegen van tenlastegelegde.

Door de raadsman is aangevoerd op het moment dat hij de aanrijding veroorzaakte ontoerekeningsvatbaar was en daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Nu de vraag naar de verwijtbaarheid, onderdeel is van de schuldvraag, behandelt het hof het verweer van de raadsman in het kader van de bewijsvraag.

Het hof is, anders dan de raadsman, van oordeel dat verdachte wel een zodanig verwijt kan worden gemaakt dat tot bewezenverklaring van schuld in de zin van artikel 6 WVW kan worden gekomen.

Ten tijde van het ongeval verkeerde verdachte in een psychose. Deze psychose werd veroorzaakt door het feit dat verdachte de avond daarvoor speed had gebruikt.

De keuze om speed te gebruiken, heeft verdachte volledig vrijwillig gemaakt.

Als uitgangspunt geldt dat in geval van volledig vrijwillige zelfintoxicatie ontoerekeningsvatbaarheid niet leidt tot vrijspraak of strafuitsluiting. De omstandigheid dat verdachte de concrete gevolgen van zijn handelen - in dit geval het veroorzaken van een zeer ernstig verkeersongeval - redelijkerwijs niet had kunnen voorzien, maakt dit niet anders. De Hoge Raad heeft bepaald dat daarvoor geen steun is te vinden in het recht (vgl. Hoge Raad 12 februari 2008, ECLI:NL:HR: 2008:BC3797).

In deze zaak geldt dat verdachte wist dat speed een harddrug was en dus een middel dat (op een gevaarlijke wijze) van invloed kan zijn op de psyche. Hij had nooit eerder speed gebruikt en wist dus niet wat voor effect speed op hem zou hebben en voor hoelang. Verdachte heeft verklaard dat hij ten tijde van de inname niet wist dat het gebruik van speed kon leiden tot een psychose. Evenwel had hij dit eenvoudig kunnen weten, door (bijvoorbeeld) op internet te kijken. Verdachte is echter overgegaan tot het gebruik van het middel waarvan hij wist dat het effecten zou hebben op zijn psychische gesteldheid, zonder zich van tevoren te verdiepen in de dosering en in de (mogelijke) precieze effecten ervan, waaronder ook de duur van die effecten.

Gelet op het voorgaande leidt de conclusie van de gedragsdeskundigen dat verdachte als ontoerekeningsvatbaar kan worden beschouwd voor zijn handelen er niet toe dat verdachte geen schuld heeft aan het verkeersongeval.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman.

Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat de ernst van de gedragingen van verdachte en de overige omstandigheden van het geval zodanig zijn dat op basis daarvan kan worden geconcludeerd dat verdachte schuld heeft aan het ongeval in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 . Het hof zal hierna beoordelen welke mate van schuld dit is.

(...)

Evenals de rechtbank komt het hof tot een bewezenverklaring van schuld in de zin van zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig rijgedrag. Verdachte kan namelijk worden verweten dat hij een auto heeft bestuurd terwijl hij verkeerde onder invloed van verdovende middelen. Ook kan verdachte worden verweten dat hij veel te hard heeft gereden waardoor hij verschillende waarschuwingen voor de naderende veranderende wegsituatie heeft gemist. Als gevolg van deze omstandigheden was verdachte niet in staat om te remmen of anderszins te reageren op het moment dat dit nodig was en is uiteindelijk het verkeersongeval veroorzaakt.

Het gedrag van verdachte kan worden aangemerkt als zeer onvoorzichtig rijgedrag dat verwijtbaar is.

De verdediging heeft betwist dat zich de strafverzwarende omstandigheid voordoet dat verdachte bij het veroorzaken van de aanrijding verkeerde in de toestand van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 . Zij heeft meer specifiek gesteld dat verdachte niet wist of redelijkerwijs moest weten dat de speed een dag later zijn rijvaardigheid kon beïnvloeden. Het hof verwerpt dit verweer en verwijst daartoe naar hetgeen zij hiervoor, bij de bespreking van de gestelde ontoerekeningsvatbaarheid, heeft overwogen over de kennis en onderzoeksmogelijkheden van verdachte. Hieruit volgt dat verdachte, op zijn minst, redelijkerwijs moest weten dat het gebruik van speed de rijvaardigheid kan verminderen.

Conclusie

Daarmee komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feit 1 subsidiair in die zin dat verdachte schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor een ander is gedood, waarbij de mate van schuld bestaat uit zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig rijgedrag, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden.

Voorts komt het hof tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het tweede onderdeel van feit 2 in die zin dat hij schuld heeft aan het veroorzaken van een verkeersongeval waardoor anderen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, waarbij de mate van schuld bestaat uit zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig rijgedrag, terwijl verdachte verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 en het feit mede is veroorzaakt doordat hij een krachtens deze wet vastgestelde maximumsnelheid in ernstige mate heeft overschreden."

2.3.

Vooropgesteld moet worden dat in cassatie slechts kan worden onderzocht of de schuld aan het verkeersongeval in de zin van art. 6 WVW 1994 - in het onderhavige geval het bewezenverklaarde zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig rijgedrag - uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daarbij komt het aan op het geheel van de gedragingen van de verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Voorts verdient opmerking dat niet reeds uit de ernst van de gevolgen van verkeersgedrag dat in strijd is met één of meer wettelijke gedragsregels in het verkeer, kan worden afgeleid dat sprake is van schuld in vorenbedoelde zin. (Vgl. HR 1 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5822.)

2.4.1.

Het Hof heeft blijkens zijn hiervoor onder 2.2.2 weergegeven overwegingen onder meer vastgesteld dat "de verdachte met een gemiddelde snelheid van 217 km per uur, en kort voor de plek van de botsing zelfs met een snelheid van 237 km per uur, over de A2 reed, afwisselend over de eerste (de meest linker) rijstrook en over de vluchtstrook, en dat hij, waar die vluchtstrook eindigde, invoegde op de rijbaan waar een Citroën reed en met deze auto in botsing kwam". Zodanig verkeersgedrag kan in beginsel de gevolgtrekking dragen dat de verdachte zeer onoplettend, onachtzaam en onvoorzichtig heeft gehandeld en dat het verkeersongeval aan de schuld van de verdachte als bedoeld in art. 6 WVW 1994 te wijten is. Dat kan in concreto evenwel anders zijn indien omstandigheden aannemelijk zijn geworden - bijvoorbeeld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in verontschuldigbare onmacht verkeerde of dat de gedraging hem niet kan worden toegerekend - waaruit volgt dat van schuld in vorenbedoelde zin niet kan worden gesproken (vgl. HR 12 februari 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3797).

2.4.2.

Het Hof heeft in dit verband vastgesteld dat de verdachte ten tijde van het ongeval in een psychose verkeerde, veroorzaakt door het feit dat hij de avond daarvoor amfetamine ('speed') had gebruikt. Het oordeel van het Hof dat sprake is van 'schuld' in de zin van art. 6 WVW 1994 is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat het heeft vastgesteld dat de verdachte de keuze om amfetamine te gebruiken volledig vrijwillig heeft gemaakt, dat hij wist dat dit een harddrug was en dus een middel was dat (op gevaarlijke wijze) van invloed kan zijn op de psyche en dat hij is overgegaan tot het gebruik daarvan, zonder zich van tevoren te verdiepen in de dosering en de (mogelijke) precieze effecten daarvan, waaronder ook de duur van die effecten. Daarbij verdient opmerking dat de opvatting van het middel dat een en ander slechts dan aan de verdachte zou kunnen worden toegerekend als hij wist, dan wel moest weten, dat het gebruik van amfetamine een psychose zou kunnen veroorzaken en voorts ook het concrete gevolg daarvan - het plegen van de onderhavige strafbare feiten - redelijkerwijs voorzienbaar was, geen steun vindt in het recht.

2.4.3.

Ook overigens getuigt het oordeel van het Hof dat sprake is van 'schuld' in de zin van art. 6 WVW 1994 niet van een onjuiste rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk en ook in het licht van hetgeen in hoger beroep door de verdediging is aangevoerd, voldoende gemotiveerd.

2.5.

De middelen zijn tevergeefs voorgesteld.

3 Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Dit arrest is gewezen door de vice-president W.A.M. van Schendel als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 29 januari 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature