< Terug naar de zoekresultaten

Opties voor deze uitspraak



Datum uitspraak:
Datum publicatie:
Rechtsgebied:
Zaaknummer:
Soort procedure:
Instantie:
Vindplaatsen:

Inhoudsindicatie:

Procesrecht. Schadebegroting. Vraag of koopovereenkomst tot stand is gekomen. Hoger beroep tegen oordeel over bewijskracht akte in deelvonnis waartegen ook al in een eerder appel was opgekomen. Heeft het hof de 'éénkeerschieten'-regel (HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3160) miskend? Daarnaast vordering tot vergoeding van schade. Begroting door hof aan de hand van op internet gevonden gegevens. Schending hoor en wederhoor?

Gepubliceerde uitspraken in deze zaak:

Uitspraak



Eerste Kamer

17/05866

TT/AS

Hoge Raad der Nederlanden

Arrest

in de zaak van:

1. [eiser 1] ,wonende te [woonplaats] ,

2. [eiseres 2] ,wonende te [woonplaats] ,

EISERS tot cassatie,

advocaat: mr. J. den Hoed,

t e g e n

[verweerder] ,wonende te [woonplaats] ,

VERWEERDER in cassatie,

advocaat: mr. M.J. van Basten Batenburg.

Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eisers] en [verweerder] .

1 Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:

a. de vonnissen in de zaak C/18/133811/HA ZA 12-173 van de rechtbank Noord-Nederland van 16 oktober 2013, 14 januari 2015, 1 april 2015 en 28 september 2016;

b. de arresten in de zaken 200.141.151/01, 200.164.392/01, 200.204.944/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 oktober 2015, 12 april 2016 en 20 september 2016 in de eerste twee zaken en van 16 mei 2017 en 12 september 2017 in alle zaken.

De arresten van het hof van 16 mei 2017 en 12 september 2017 zijn aan dit arrest gehecht.

2 Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof van 16 mei 2017 en 12 september 2017 hebben [eisers] beroep in cassatie ingesteld. De procesinleiding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.

De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.

De conclusie van de Advocaat-Generaal R.H. de Bock strekt tot vernietiging van het arrest van het hof van 12 september 2017 en tot verwijzing.

De advocaat van [eisers] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

3 Beoordeling van het middel

3.1

In cassatie kan, voor zover nog van belang, van het volgende worden uitgegaan.

( i) [eisers] zijn sinds 15 november 2001 eigenaar van een boerderij met erf en laan (hierna: het pad) in [woonplaats] . In de leveringsakte is een erfdienstbaarheid van uitweg gevestigd ten laste van het pad en ten behoeve van een tweetal kadastrale percelen in de gemeente [plaats] , om op de minst bezwarende wijze te komen van en te gaan naar de openbare weg.

(ii) Een deel van het pad van [eisers] (met een lengte van circa 1.000 meter) is voorzien van semiverharding (puin), het resterende deel (met een lengte van circa 220 meter) bestaat uit een betonverharding.

(iii) Medio 2009 heeft [verweerder] de eigendom verkregen van een aantal percelen land die grenzen aan het erf van [eisers] Op het moment van verkrijging waren deze percelen begroeid met een productiebos. Deze percelen behoorden tot de heersende erven ten behoeve waarvan de hiervoor onder (i) genoemde erfdienstbaarheid van uitweg is gevestigd. [verweerder] heeft later meer percelen aangekocht, waardoor hij ook over een alternatieve ontsluiting van zijn percelen beschikt.

(iv) In februari 2010 heeft [verweerder] opdracht gegeven het productiebos op de door hem aangekochte percelen te kappen en het hout af te voeren. Vervolgens is grond aangebracht op de percelen. Als gevolg van genoemde werkzaamheden is schade aan het pad ontstaan.

( v) Partijen hebben op 30 maart 2010 een stuk papier ondertekend, waarop een plattegrond van de boerderij van [eisers] is getekend met de omliggende percelen, die (deels) eigendom zijn van [verweerder] (hierna: de akte). Voorts staat daarop het volgende:

“Aankoop Grond fam. [eiser 1] vs [verweerder] . +/- 1 ha a € 3,— /m 2 30-03-‘10”

(vi) De door [eisers] ingeschakelde deskundige ing . Kuiper heeft de schade aan het pad onderzocht. Hij heeft de herstelkosten van het pad begroot op € 38.900,-- (exclusief btw).

(vii) Medio oktober 2010 heeft een loonbedrijf het pad op afschot gebracht. De nota van € 960,63 is door [eisers] voldaan.

3.2.1

In dit geding hebben [eisers] gevorderd, samengevat en voor zover in cassatie van belang: (a) veroordeling van [verweerder] tot herstel van de schade aan het pad; (b) veroordeling van [verweerder] tot medewerking aan de levering van het door [eisers] van [verweerder] gekochte perceel grond tegen betaling van € 24.000,--; (c) veroordeling van [verweerder] tot betaling van de door [eisers] voorgeschoten kosten van herstel van het pad ad € 960,63 en (d) een aan [verweerder] op te leggen verbod om het pad met zware voertuigen en landbouwmachines te gebruiken, op straffe van een dwangsom. [eisers] baseren de onder (b) genoemde vordering op de hiervoor in 3.1 onder (v) genoemde akte. Zij stellen dat [verweerder] aan hen een stuk grond van 8.000 m² heeft verkocht (hierna: het perceel) tegen betaling van € 3,-- per m², zodat de koopprijs uitkomt op € 24.000,--.

3.2.2

Bij vonnis van 16 oktober 2013 (hierna: het eerste deelvonnis) heeft de rechtbank de vorderingen (c) en (d) toegewezen. Deze vorderingen zijn in cassatie niet meer aan de orde. Wat betreft vordering (a) heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het benoemen van een deskundige. Ter zake van vordering (b) heeft de rechtbank [verweerder] in de gelegenheid gesteld tegenbewijs te leveren met betrekking tot de voorshands door de rechtbank bewezen geachte koopovereenkomst.

3.2.3

[verweerder] heeft hoger beroep ingesteld tegen het eerste deelvonnis. Daarbij heeft hij twee grieven gericht tegen de toewijzing van vordering (d). Daarnaast heeft hij vier grieven gericht tegen overwegingen met betrekking tot vordering (a).

3.2.4

Op 14 januari 2015 heeft de rechtbank een tweede deelvonnis gewezen. In het dictum daarvan is – voor zover in cassatie van belang – [verweerder] veroordeeld mee te werken aan de levering van het perceel grond voor de overeengekomen koopsom van € 24.000,--. Hiermee heeft de rechtbank beslist op vordering (b). Met betrekking tot vordering (a) heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over haar voorstel ten aanzien van de benoeming van een deskundige.

3.2.5

[verweerder] heeft ook tegen dit tweede deelvonnis hoger beroep ingesteld. Daarin heeft hij grieven aangevoerd tegen de beslissingen van de rechtbank over vordering (b), niet alleen in het tweede, maar ook in het eerste deelvonnis.

3.2.6

De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 1 april 2015 ing. Muis tot deskundige benoemd. Nadat deze over de staat van het pad had gerapporteerd, heeft de rechtbank in haar eindvonnis vordering (a) afgewezen.

3.2.7

[eisers] hebben hoger beroep ingesteld tegen het eindvonnis en tegen het tussenvonnis van 1 april 2015.

3.2.8

Het hof heeft in de (gevoegde) appelprocedures, voor zover in cassatie van belang, [verweerder] veroordeeld tot betaling aan [eisers] van een bedrag van € 4.200,-- als schadevergoeding voor het pad (vordering (a)). Vordering (b) heeft het hof afgewezen.

3.3.1

Onderdeel Ia van het middel is gericht tegen rov. 4.10 van het tussenarrest van 16 mei 2017. Het hof heeft daarin overwogen:

“De akte van 30 maart 2010 (…) wordt door het hof niet aangemerkt als een koopovereenkomst. Het bestaat uit een schets van de ligging van de woning van [eisers] en enige omliggende grond en wat weinig precieze afmetingen, met als enige tekst "± 1 ha a € 3, - /m2." Verder staat er de datum 30 maart 2010 op en de handtekeningen van [eisers] en [verweerder] . Daarboven staat nog Aankoop Grond fam. [eiser 1] vs [verweerder] , maar daarvan staat vast dat het later door [eiseres 2] is aangebracht (…). Voorts staat vast dat [eiseres 2] enige woorden heeft weggelakt wat de raadsheer-commissaris ook zelf heeft vastgesteld. Dit betreft "overname", "niet over grond voor 15 04" en "doek + verharding". De dwingende bewijskracht van dit gemanipuleerde stuk is dan ook zeer beperkt.

Dit stuk kan wel dienen als aanvullend bewijs voor het bestaan van een mondelinge overeenkomst. (…)”

Volgens het onderdeel heeft het hof miskend dat het gebonden was aan het bewijsoordeel van de rechtbank, zoals neergelegd in rov. 5.12 van het eerste deelvonnis. Daarin oordeelde de rechtbank:

“ [verweerder] heeft weersproken dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen op basis waarvan hij gehouden is het perceel (…) aan [eisers] te leveren tegen een koopsom van € 24.000,00.

Ter onderbouwing van het bestaan van de overeenkomst hebben [eisers] (…) een onderhandse akte in het geding gebracht. Weliswaar heeft [verweerder] aangevoerd dat [eisers] deze akte hebben gemanipuleerd door een deel van de daarin vastgelegde afspraken uit te gommen (of anderszins te verwijderen) maar tijdens de comparitie van 3 oktober 2010 - alwaar het origineel aan de rechtbank is getoond - is van enige manipulatie niet gebleken. Met name is niet gebleken van verwijdering van een door [verweerder] gesteld voorbehoud (“mits het padprobleem wordt opgelost”). Artikel 157 lid 2 Rv bepaalt dat een onderhandse akte dwingend bewijs oplevert ten aanzien van hetgeen partijen daarin verklaren, zulks behoudens tegenbewijs. In de akte staat vermeld dat 8.000 m2 grond werd verkocht tegen een koopsom van € 3,00 per m2. Voorts hebben partijen uitvoering gegeven aan hetgeen in de akte is bepaald. Na ondertekening ervan is aan het kadaster de opdracht verstrekt het door [eisers] aan te kopen perceel in te tekenen en dit te voorzien van een (eigen) kadastraal nummer. Het kadaster heeft uitvoering aan deze opdracht gegeven en [verweerder] is bij het inmeten van het perceel aanwezig geweest. Gezien deze uitvoeringshandelingen en gelet op de dwingende bewijskracht van hetgeen partijen in de akte hebben verklaard, dient voorshands te worden uitgegaan van de juistheid van de stellingen van [eisers]

In het kader van mogelijk te leveren tegenbewijs kan [verweerder] het door [eisers] geleverde bewijs ontzenuwen door waar te maken dat tussen partijen anders is overeengekomen dan [eisers] in deze procedure stellen.”

Volgens het onderdeel moet dit oordeel worden aangemerkt als een eindbeslissing en was het hof daaraan gebonden omdat [verweerder] daartegen in zijn hoger beroep van het eerste deelvonnis geen grieven heeft aangevoerd. Dat heeft hij wel gedaan in zijn hoger beroep van het tweede deelvonnis, maar dat was te laat. Immers, indien een partij gebruik maakt van de mogelijkheid om tussentijds hoger beroep in te stellen tegen een tussenvonnis, staat het haar niet vrij om in een later stadium van het geding andermaal tegen in die uitspraak vervatte eindbeslissingen op te komen, ook niet indien de eindbeslissing waar het om gaat in een latere uitspraak wordt herhaald. Het hof heeft dat miskend, aldus het onderdeel.

3.3.2

Het onderdeel slaagt. [verweerder] heeft in zijn hoger beroep tegen het eerste deelvonnis niet alleen grieven gericht tegen de toewijzing in het dictum van vordering (d), maar ook tegen beslissingen van de rechtbank in verband met vordering (a). Met betrekking tot vordering (a) was nog geen sprake van een eindvonnis. Nu [verweerder] aldus ook het tussenvonnis-gedeelte van het eerste deelvonnis in zijn hoger beroep betrok, had hij bij die gelegenheid al zijn bezwaren tegen de eindbeslissingen in het tussenvonnis-gedeelte van dat vonnis naar voren moeten brengen. De partij die tussentijds beroep instelt, is immers gehouden daarin al haar bezwaren tegen de tot dan toe gewezen tussenvonnissen aan te voeren en verliest de mogelijkheid dat bij een latere gelegenheid in appel te doen (zie onder meer HR 30 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU3160, rov. 3.3.4). Die regel geldt ook indien het gaat om een appel tegen het tussenvonnis-gedeelte van een deelvonnis.

In rov. 5.12 van haar eerste deelvonnis heeft de rechtbank ten aanzien van vordering (b) uitdrukkelijk en zonder voorbehoud een beslissing gegeven over de bewijskracht van de akte. Nu [verweerder] in zijn hoger beroep tegen het tussenvonnis-gedeelte van dat vonnis niet tegen die beslissing is opgekomen, was het hof daaraan gebonden.

Daarbij is niet van belang dat de grieven in het eerste hoger beroep tegen het tussenvonnis-gedeelte van het eerste deelvonnis betrekking hadden op beslissingen in verband met een andere vordering (vordering (a)) dan de in het latere hoger beroep tegen datzelfde vonnis aangevoerde grieven (die gericht waren tegen beslissingen in verband met vordering (b)).

3.4

Onderdeel II, dat klaagt over het oordeel van het hof in rov. 4.11 van het tussenarrest van 16 mei 2017 dat het aan [eisers] is om te bewijzen dat partijen een onvoorwaardelijke koopovereenkomst zijn aangegaan, behoeft gelet op het slagen van onderdeel Ia geen behandeling.

3.5.1

Onderdeel IIIa is gericht tegen rov. 2.4 van het eindarrest. Daarin heeft het hof overwogen:

“(…) Ing. Kuiper heeft een compleet nieuwe betonverharding destijds geschat op € 14.000,-. Het hof schat de kosten van plaatselijk herstel door opvulling van scheuren met asfalt of een vergelijkbaar materiaal, aan de hand van op het internet beschikbare prijstabellen die diverse asfalteringsbedrijven voor reparatie aan onder meer betonpaden in rekening brengen, tussen de 10 en 30 euro per m², afhankelijk van de diepte van de scheuren (het hof verwijst naar www.asfaltering.nl en www.zwammerdamgroep.nl). Uitgaande van een gemiddelde prijs van 20 euro per m² en een door het hof geschatte oppervlakte aan te herstellen scheuren van ongeveer 150 m², schat het hof de kosten op [de Hoge Raad leest: van] herstel van de scheuren die door [verweerder] zijn veroorzaakt op € 3.000,-. Het hof acht geen termen aanwezig voor een nader deskundigenbericht, omdat uit het deskundigenbericht van ing. Muis afdoende blijkt dat niet kan worden vastgesteld welke scheuren in welke mate door [verweerder] zijn veroorzaakt, zodat ook aan een nader deskundigenbericht altijd een hoog schattingsgehalte zal kleven.”

Het onderdeel klaagt dat het hof aldus gegevens aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd die het hof aan internet heeft ontleend en waarover partijen zich niet hebben kunnen uitlaten.

3.5.2

De klacht is terecht voorgesteld. Het hof heeft zijn begroting van de te vergoeden schade doen steunen op feitelijke gegevens die het niet aan het procesdossier heeft ontleend, maar uit eigen beweging op internet heeft gevonden. Door die gegevens aan zijn beslissing ten grondslag te leggen zonder partijen de gelegenheid te geven van die gegevens kennis te nemen en daarop desgewenst te reageren, heeft het hof gehandeld in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor (zie onder meer HR 9 september 2011, ECLI:NL:HR:2011:BR1654).

3.6

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4 Beslissing

De Hoge Raad:

vernietigt de arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 16 mei 2017 en 12 september 2017;

verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing;

veroordeelt [verweerder] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [eisers] begroot op € 502,49 aan verschotten en € 2.600,-- voor salaris.

Dit arrest is gewezen door de vicepresident C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, T.H. Tanja-van den Broek, M.J. Kroeze en C.H. Sieburgh, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op 25 januari 2019.


» Juridisch advies nodig? « advertorial

Heeft u een juridisch probleem of een zaak die u wilt voorleggen aan een gespecialiseerde jurist of advocaat ?

Neemt u dan gerust contact met ons op en laat uw zaak vrijblijvend beoordelen.



naar boven      |      zoeken      |      uitgebreid zoeken

Snel uitspraken zoeken en filteren

> per rechtsgebied > op datum > op instantie

Recente vacatures

Meer vacatures | Plaats vacature